Ik stond vier maanden voor de klas toen ik mijn studenten vertelde dat ze het binnenkort met iemand anders zouden moeten doen. Mijn stem trilde en de tranen prikten in mijn ogen. Ik heb me zelden méér een mislukkeling gevoeld dan toen.

In december 2014 moest ik toegeven voor mezelf én mijn directie dat ik twee halftijdse jobs niet meer kon combineren. De volgende acht maanden werkte ik halftijds. Het was een beslissing die er eerder kwam uit noodzaak dan op basis van een vrijwillige keuze.

Pas halverwege 2015 besefte ik dat die moeilijke bekentenis tegenover mijn studenten misschien wel het sterkste moment uit mijn prille carrière is geweest. Mezelf ruimte en rust geven, zonder een duidelijk plan voor de toekomst. Even niet de lijn van de prestatiemaatschappij volgen. Want ik was hoogopgeleid, jong, gezond, kinderloos!… en toch maar halftijds aan de slag.

In De Morgen van 12/01/2017 lees ik dat een ‘gevoel van isolement piekt in de twintigerjaren’. Onderzoekster Leen Heylen (Thomas Moore) spreekt van een spanning tussen mensen die hun passie al gevonden hebben en zij die nog zoekende zijn. Moet het ons verbazen dat mensen, en zeker de pas afgestudeerden, het moeilijk hebben om hun eigen weg te vinden? Of zijn we bereid om ze de tijd te geven om te zoeken, te verdwalen, te botsen?  In een wereld die elke dag complexer wordt en waarin de mogelijkheden eindeloos lijken, moet je al een superman of wonderwoman zijn om vol vertrouwen op je doel af te gaan.

Heb je het geluk om na je studies aan een mooie job te beginnen, dan rol je al snel in het stramien van carrière – huis – gezin. Voor je ’t weet, dein je mee op de golven van de ratrace. Er zijn er natuurlijk die het anders doen. Ze trekken de wereld rond of smijten zich vol passie voor een eigen project. Deze mensen krijgen – terecht – onze bewondering.

Daar tussenin zitten de ploeteraars. Zij die nog meedeinen, maar volop twijfelen. Of zij die even de pauzeknop hebben ingedrukt, maar hun eigen weg niet gevonden hebben. We komen ze tegen in de statistieken van langdurig zieken of jobhoppende jongeren.

Onze maatschappij maakt het ploeteraars erg moeilijk. We willen iedereen voltijds aan de slag. Een loopbaanonderbreking moet je tegenwoordig al erg goed motiveren. Ik kon in december 2014 even op de pauzeknop drukken. Ik had nog een halftijdse job. Ik moest geen lening afbetalen, had geen kind op te voeden. Velen hebben dat geluk niet.

Ik pleit voor meer ploetertijd. Dat is: tijd om adem te halen, afstand te nemen, na te denken. Geloven we echt dat onze economie ten onder zal gaan als we mensen af en toe de tijd geven om (opnieuw) hun plekje in deze complexe wereld te vinden? Moeten we wachten tot ze een burn out hebben of depressief zijn, voor ze rust ‘mogen’ nemen?

Sinds die dag in december koester ik een grote bewondering voor iedereen die het aandurft even te ploeteren. Iedereen die op pauze drukt zonder direct een alternatief klaar te hebben. En geloof me, in the end komt er wel iets moois opborrelen.